De woongroep
Om het hier en nu beter te begrijpen, helpt het soms om terug te kijken naar hoe je hier bent gekomen. Waar is de basis gelegd voor het hier en nu?

Het grootste deel van mijn opvoeding hebben wij als gezin gewoond in een woongroep van Stichting Timon. Het opgroeien in deze woongemeenschap is een belangrijk onderdeel geweest van mijn vorming. Iedereen had zijn eigen woning en we deelden een stukje van ons dagelijks leven.
Voor mij voelde dat heel gewoon. Ik kende iedereen in de straat en de achterdeur stond eigenlijk altijd open. Die gastvrijheid werd voor mij heel vanzelfsprekend.
Ik had kinderen van mijn eigen leeftijd om mee te spelen, oudere kinderen om naar op te kijken en jongere kinderen voor wie ik zelf weer een voorbeeld kon zijn. Het voelde als een grote familie.
Het delen van het dagelijks leven stond centraal. Ik had de ruimte om zelf te kiezen waaraan ik meedeed en juist daardoor voelde ik me meer verbonden met de woongroep. Ik leerde dat onderdeel zijn van een groep niet betekent dat je alles samen moet doen. Het betekent dat je weet dat je ergens bij hoort en dat je zelf iets kunt bijdragen.
Jaren later, toen ik volwassen was, koos ik er bewust voor om opnieuw in een woongroep te gaan wonen. Dit keer als single kernbewoner.
Hoe bijzonder dit was, ontdekte ik eigenlijk pas toen ik uit de woongroep ging.
Ik woonde eerst een periode in een soort studentenhuis en later alleen in een eigen appartementje. Mijn buren waren vriendelijke mensen. We groetten elkaar wanneer we elkaar tegenkwamen en gingen daarna weer ons eigen huis in. Daar is niets mis mee en toch voelde het voor mij ongemakkelijk. Je woont naast elkaar en kent elkaar niet. Dat kende ik niet.
Voor het eerst realiseerde ik me hoe rijk mijn jeugd eigenlijk was geweest. Ik begon de woongroep te vergelijken met een beeld van vroeger: familie die bij elkaar in de straat woont, een dorp waarin iedereen elkaar kent, mensen die vanzelf onderdeel zijn van elkaars leven.
Het zette mij aan het denken over hoe individualistisch we zijn gaan leven.
We hebben veel vrijheid en zelfstandigheid opgebouwd, maar ik merkte bij mezelf hoe sterk de behoefte blijft aan verbinding, gemeenschap en ergens bij horen.
Verschil zit hem in de kleine dingen
Bij mij ontstond behoefte aan leuk, laagdrempelig en spontaan contact en ik zocht altijd een manier om dat te bevorderen.
Ik zette regelmatig een stoeltje en een kop koffie bij mijn voordeur en ging buiten zitten. Op een gegeven moment zette ik zelfs mijn koffiemachine beneden bij de voordeur.
Vrienden kwamen langs en schoven aan en door gewoon zichtbaar te zijn, ontstond ook gemakkelijker contact met andere buren. Een praatje maken werd steeds vanzelfsprekender.
Daar leerde ik iets wat ik later steeds belangrijker ben gaan vinden: het verschil zit hem in de kleine dingen en in de ruimte die je daarvoor geeft.
Laagdrempelig. Spontaan. Zichtbaar.
Drie eenvoudige dingen die veel kunnen veranderen in hoe mensen elkaar ontmoeten.
Tegelijkertijd groeide mijn verlangen om opnieuw in een woongroep te wonen.
Mijn woongroep avontuur ging verder als kernbewoner. Dat was een heel andere ervaring.
Als kernbewoner ben je geen hulpverlener. Je bent een goede buur. Je woont in de woongroep en je deelt het gewone leven samen met je buren. Het dagelijks leven.
Juist dat vond ik waardevol.
Ik hoefde niet iets te doen voor iemand. Ik kon er gewoon zijn. En dat is geen klein ding.
De omgeving is belangrijk
Samen eten. Een kop koffie drinken. Een praatje maken. Samen iets ondernemen. Er zijn op de gewone momenten.
Het eerste jaar werkten we als kernbewoners bewust aan het vormen van onze eigen groep. We volgden trainingen, onderzochten hoe we wilden samenwerken en stonden stil bij de vraag waarom we dit eigenlijk deden. Onder andere de Golden Circle van Simon Sinek — waarom, hoe en wat — hielp ons om daar woorden aan te geven.
Dat proces liet mij opnieuw ervaren hoe belangrijk het is om niet alleen samen iets te doen, maar ook samen te weten waarom je het doet.
Als volwassen kernbewoner zag ik de woongroep ook vanuit een ander perspectief.
Ik zag jongeren voor wie deze omgeving vaak een van de eerste plekken was waar zij zich werkelijk veilig konden voelen. Een plek waar je jezelf kunt zijn. Waar je iets kunt proberen. Waar je fouten mag maken en waar je het daarna weer goed kunt maken.
Ik zag dat een vertrouwde en veilige omgeving echt verschil maakt in het leven. En dat maakte indruk op mij.
Tegelijkertijd herkende ik steeds meer van mijn eigen jeugd. Dezelfde eenvoudige dingen waren opnieuw belangrijk: samen eten, elkaar tegenkomen, aandacht hebben voor elkaar, samen iets ondernemen en weten dat je ergens bij hoort.
Alleen stond ik nu aan de andere kant.
Wat ik als kind vanzelfsprekend had gevonden, begreep ik nu steeds beter als volwassene.
Vanuit mijn rol als kernbewoner leerde ik nog iets anders wat later belangrijk werd in mijn professionele werk.
Soms ontdekten we iets dat goed werkte en dan deden we dat. Tot het niet meer werkte. Dan zochten we weer iets nieuws. Zo waren we flexibel in wat we deden en bleef de waarom steeds hetzelfde.
Dat vind ik waardevol. Je blijft kijken en aansluiten bij wat er op dat moment is en werkt. Naar dat wat er nu nodig is.
De bedoeling blijft. De vorm mag bewegen.
Terugkijkend zie ik dat de woongroep mij heeft geïnspireerd, nog voordat ik daar zelf woorden voor had.
Ik leerde dat het zit in de kleine dingen.
Dat echt contact meer is dan elkaar groeten. Dat samen eten een krachtige manier is om verbinding te maken. Dat zichtbaarheid en beschikbaarheid ruimte geven voor spontane ontmoetingen. Dat een omgeving invloed heeft op hoe mensen zich voelen en ontwikkelen.
Misschien zijn dit wel de twee belangrijkste lessen:
Je hoeft niet altijd iets voor iemand te doen om iets voor iemand te betekenen.
Mensen staan niet op zichzelf.
Soms is het genoeg om er te zijn. Om samen op te lopen. Om een stukje van het gewone leven te delen. Bijdragen aan het geheel.
Wie je bent en hoe je groeit, wordt gevormd door de mensen en de omgeving. Meer dan dat we ons vaak beseffen.